SE en CPE ontwerpproces (uitleg per onderdeel)

SE en CPE ontwerpproces ( uitleg per onderdeel )                                                        cvl: bv: 4TL

A: Oriëntatie: totaal te behalen: 4 punten

  1. In het invulboekje vul je in welke sub thema je kiest. Je ziet ook een mindmap. Hier kunnen al wat woorden in staan, je kunt er zelf ook woorden aan toevoegen. De woorden die je kunt gebruiken als uitgangspunt voor je proces markeer je of omcirkel je, vergeet dit niet want, dat kost je punten.
  2. Je maakt twee moodboards (ideeënbladen). Allebei op een A3 tekenpapier. Bedenk zoveel mogelijk verschillende mogelijkheden voor jouw werkstuk. Noteer de mogelijkheden op je moodboard door te schrijven (brainstormen) en te tekenen (kleine schetsjes). Voeg ook inspirerende plaatjes toe. Werk snel en schetsmatig, het is geen op zichzelf staand werkstuk. Maak een algemeen moodboard bij het thema en een moodboard meer toegespitst op je uitgangspunt (sub thema).

B: Beeldend onderzoek: totaal te behalen: 9 punten

  1. Werk minstens twee ideeën van jouw moodboard dieper uit op meerdere A4 papieren d.m.v. schetsen. Onderzoek de voorstelling van jouw werkstuk: welke verschillende mogelijkheden kun je bedenken.
  2. Onderzoek de vormgeving: welke beeldaspecten zijn belangrijk en waarom ( vorm, kleurgebruik, compositie, textuur ect.
  3. Onderzoek welke materialen en technieken geschikt zijn om te gebruiken. Voeg materiaal- en kleurproefjes toe. (werk snel en schetsmatig, let op je maakt nog geen keuze).

C: definitief ontwerp: totaal te behalen: 2 punten

  1. Zorg dat je één goed uitgewerkte ontwerptekening hebt. Gebruik hiervoor minstens een heel A4 papier. Probeer ruimtelijk te tekenen (laat eventueel meerdere aanzichten zien). Zet de maten erbij. Noteer welke beeldaspecten belangrijk zijn en waarom. (compositie, vorm, ruimte, kleur, licht, textuur). Schrijf op welke materialen je gaat gebruiken en hoe je het uitvoeren van het ontwerp aan gaat pakken. (welke stappen, in welke volgorde). Geef een titel aan je werk.

D: eindwerk: totaal te behalen: 25 punten

  1. Je maakt je eindwerk op een schilderdoek of een stevig A2 karton. Je kunt meerdere materialen en technieken laten zien. Begin altijd met een achtergrond. En werk van groot/grof naar klein/gedetailleerd. Je mag naast acrylverf ook andere materialen gebruiken of opplakken. Denk aan papier/behang/knoopjes/veren/hout/ potlood, krijt, stift enz. Werk met meerdere lagen, zo dekt de verf/ de kleur/ het materiaal mooier.

E: evaluatie van je eigen werk en dat van een ander: totaal te behalen: 7 punten

  1. Welke materialen en technieken heb je uiteindelijk gebruikt? Welke stappen heb je uiteindelijk ondernomen? Komen de beeldaspecten tot hun recht? Is je werkstuk geworden wat het moest worden? Heb je op het laatst nog dingen veranderd en waarom? Welke problemen ben je tegengekomen en hoe heb je dit opgelost? Gebruik in je antwoorden begrippen die bij de beeldaspecten horen ( bijv.: Er loopt een weg naar een verdwijnpunt op de horizon, om zo de verte aan te geven. De bomen langs de weg zijn groot op de voorgrond en klein op de achtergrond, zo laat met een groot-klein contrast de diepte zien). Vertel bij de voorstelling letterlijk wat je ziet, zoals: ik heb een landschap geschilderd, dat zie je aan de bomen en planten. Hier en daar heb ik wat dieren geschilderd. Ze grazen aan het gras, dat zie je omdat hun hoofd laag bij de grond is. Er is een weggetje die de verte ingaat.

F: presentatie proces en werkstuk: totaal de behalen: 3 punten

  1. Presenteer je werkproces in chronologische volgorde door het te nummeren. Zet de juiste letter en cijfer erop. ( A1 en A2, B1, B2, B6 enz. , C) schrijf op alles je voornaam en achternaam. Leg alles bij elkaar op één plek. Hang je eindwerk op in het gebouw. Zet hier ook je naam op!

Totaal te behalen punten: 50 punten Laat niet onnodig punten liggen.

Schetsen en materiaalproefjes hoeven niet perfect te zijn. Het gaat erom dat je laat zien dat je onderzoek hebt verricht en dat je laat zien wat dat onderzoek heeft opgeleverd.

Leer goed de beeldaspecten uit je hoofd met de bijbehorende begrippen. Dan snap je het ook bewust toe te passen in je werk en kun je het goed benoemen bij de evaluatie. 

Voostellingsaspecten: Beschrijf in het kort wat er te zien is…

  • Je kunt zeggen dat het bijvoorbeeld een landschap is waarin…..

Beeldaspecten- vormgeving:

  • Kleur
  • Vorm
  • Compositie
  • Ruimte
  • Licht
  • Techniek en materialen

Kleur: bont, effen, rustig, wild, kleurcontrast, complementair, koud/warm, licht/donker. Welke sfeer ontstaat er door het kleurgebruik. Is er sprake van symbolisch, expressief of realistisch kleurgebruik?

Vorm: Welke vormen zie je, waarom zijn de vormen gebruikt? Realistisch, abstract, klein, groot, hoekig, geometrisch, organisch, open, gesloten, symmetrisch.

Compositie: Hoe ziet de compositie eruit? (driehoek, centraal, diagonaal, over-all, symmetrisch. Is er sprake van herhaling? Zijn er onderdelen die opvallen (aandachtspunt), Zie je een bepaalde richting? Hoe is het vlak verdeeld? Hoe zijn de verhoudingen?

Ruimte: Is er sprake van ruimte en ontstaat dit? Afsnijding, ruimtewerking, atmosferisch perspectief, kikvorsperspectief, vogelvluchtperspectief, lijnperspectief, verkleining, verkorting, schaduwwerking, overlapping, ruimtesuggestie enz.

Licht: Is er sprake van licht en welk soort licht? ( natuurlijk of kunstlicht) Van welke kant komt het licht? ( tegenlicht, zijlicht, strijklicht) Wat voor gevolgen heeft dit licht en waar zie je dat? ( schaduwwerking, slagschaduw, eigenschaduw, weerspiegeling, clair obscur enz.)

Materiaal en techniek: Kun je zien welke materialen er gebruikt zijn? ( acrylverf, aquarel, hout, papier, foto`s, textiel enz.). Kun je ook zien hoe ze zijn gebruikt? Bijv.: textuur, stofuitdrukking, structuur, dun, fijn, glad, dik, grof, ruw, doorzichtig, dekkend, vegen, stippen enz.

Succes!