De syllabus

De syllabus

De syllabus (klik voor de meest actuele versie) is het officiële examendocument voor de beeldende vakken met daarin alle regels en stof voor het Centraal Examen. Ja, officieel, dus je begrijpt het al: niet om door te komen. Daarom wordt op deze pagina het belangrijkste onderdeel van de syllabus belicht: de begrippenlijst (en zelfs die is nog flink). De syllabus zegt: “Deze lijst toont een totaal overzicht van de begrippen en vaardigheden die elke kandidaat moet (her)kennen en benoemen. Voor het CPE zijn per beeldend vak afzonderlijk de vakspecifieke begrippen en vaardigheden opgenomen die in de verschillende CPE’s een rol kunnen spelen.” Iets eenvoudiger gezegd: het zijn begrippen die je moet kunnen herkennen in je eigen werk (het CPE) en in het werk van anderen (het CSE). Een deel van deze begrippen kun je ook vinden in het menu onder mindmaps begrippen beeldaspect….(kleur, ruimte, licht, compositie, structuur, textuur, lijn en vorm).

Verschijningsvorm

  • Het woord “verschijningsvorm” betekent gewoon: wat voor een soort kunstwerk is het? Dus bijvoorbeeld een schilderij, of een theaterdecor.
  • Een “beelddrager” is een voorwerp waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen, zoals een foto-negatief, of een USB-stick.
  • Autonome kunst” is kunst die niet perse een functie heeft, behalve dat je ernaar kunt kijken, het mooi kunt vinden, dat het emoties kan oproepen of een verhaal kan vertellen. Het woord “autonoom” betekent zelfstandig, op zichzelf staand. Een schilderij is een autonoom kunstwerk.
  • Toegepaste kunst” is de naam voor objecten die, naast dat ze mooi zijn, ook een functie hebben, zoals designmeubelen, sieraden, posters. Gebruiksvoorwerpen dus, maar wel meer bijzonder vormgegeven dan gewone gebruiksvoorwerpen.

Voorstelling

Het woord “voorstelling” zegt het eigenlijk zelf al: wat stelt de afbeelding voor? Als wordt gevraagd om iets over de voorstelling van een kunstwerk te vertellen, dan moet je iets zeggen over wat je letterlijk ziet: de mensen, de voorwerpen, de omgeving. Bijvoorbeeld “Het is een landschap”, of “Ik zie een vrouw met een kind op schoot”. Door zo goed mogelijk alle aspecten van de voorstelling te benoemen kun je als het ware het “verhaal van het kunstwerk” zien.

In het stukje hierboven werd trouwens het woord “aspect” gebruikt: “aspect van de voorstelling“. Aspect is een lastig woord dat vaak in de vragen van het examen wordt gebruikt. En eigenlijk kun je het vervangen door een veel simpeler woord: “ding”. Benoem eens alle aspecten (dingen) van de voorstelling in het schilderij hierboven.

Zeggingskracht

De “zeggingskracht” van een kunstwerk is de uitdrukking en uitstraling die het kunstwerk heeft. De kunstenaar kiest bewust voor bepaalde vormenkleuren en andere vormgevingsaspecten om het kunstwerk die uitstraling te geven. Je kunt de zeggingskracht van een kunstwerk beschrijven met onderstaande “karakteristieken” (eigenschappen).

Proces

Een kunstwerk ontstaat niet zomaar. De kunstenaar begint met een ideetje en moet dan verschillende dingen ondernemen voordat er een kunstwerk is: dat hele “proces” kan bestaan uit inspiratie opdoen, schetsen maken, materiaal proeven doen, noem maar op.

Functionaliteit

Wat is de “functie” van het kunstwerk? Welk doel heeft het? Wat kun je ermee doen? Waar is het voor?

Context

De “context” waarin een kunstwerk gemaakt is heeft vaak invloed op de vormgeving, de zeggingskracht en de betekenis ervan. Context betekent “samenhang“, of “het verband waarin iets zich voordoet“. Als het gaat om de “culturele en kunsthistorische context” waarin een kunstwerk is gemaakt heb je het bijvoorbeeld over “Wat was er toen in de mode?“, “Welke maatschappelijke gebeurtenissen vonden plaats?“, “Welke gedragsregels waren van kracht?“, “In welke stijl werkten andere kunstenaars in die tijd?“, enzovoort.

Vormgeving

Vormgeving” is het belangrijkste begrip als het gaat om kijken naar kunst. Voor het examen moet je de “aspecten van de vormgeving“, ook wel de “beeldaspecten“, kunnen herkennen en benoemen. Het is handig om de begrippen in onderstaande blokje goed te leren begrijpen. Wat het allemaal betekent? Dat kun je in het boekje vinden die je krijgt begin van het jaar, of door hier te klikken op vormkleurlijn-structuur en textuurcompositie (ordening)ruimtelicht, en beweging en geluid. Wat kun jij zeggen over de vormgeving van het kunstwerk hierboven?

En het laatste woord in de lijst hieronder: “hanteringswijze“? Dat is de manier waarop de kunstenaar het materiaal heeft verwerkt en het gereedschap heeft gebruikt. Bijvoorbeeld dat je de vegen van de kwast grof in het schilderij ziet, of de vingerafdrukken in de klei. Of dat een schilderij juist heel fijn en glad geschilderd is, en een beeld spiegelglad is gepolijst.

Let op!!: Haal het begrip vormgeving NIET door elkaar met het begrip voorstelling. Dat kost je op het examen heel veel punten.

Materialen en technieken

De keuze van het materiaal voor een kunstwerk, en ook de manier waarop je dat materiaal verwerkt (de techniek), heeft invloed op het uiterlijk en de zeggingskracht van dat kunstwerk. Als je bijvoorbeeld een kunstwerk wil maken dat vriendelijk en vrolijk overkomt moet je misschien niet kiezen om het te maken van steen (koud en hard en soms ruw en scherp), tenzij je die steen heel rond en glad afwerkt met je gereedschap. De kunstenaar moet zich dus goed bewust zijn van de eigenschappen van zijn materiaal, en het effect dat een gebruikte techniek heeft.

Categorieën: 4TL

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.