Materiaal rondes

Hieronder zie je de verschillende materialen met uitleg erbij. Een nieuw hoofdstuk begint met rood geschreven titels!

Je maakt per week een opdracht met een ander materiaalsoort. De boekjes worden ook uitgedeeld.

Hoe ziet de structuur van de les eruit?

In de les zitten jullie in de trello groepen, net als bij MX en TE

In de groep heb je een:

  • planner
  • controller
  • en members

PLANNER:

Een planner plant werkzaamheden op een PLANBORD.

De planner krijgt instructie van de docent en verwerkt dit digitaal in TRELLO op een PLANBORD. Op dit planbord bevindt zich een TODO, BUSY en DONE kolom. De BUSY en DONE kolom worden gevuld door de groepsleden.

CONTROLLER:

Een controller bekijkt of ieder groepslid zich houdt aan de opdracht.

De controller is iemand die nauwkeurig de instructie leest en tijdens de werkzaamheden van de groep in de gaten houdt of de groep de eisen van de opdracht opvolgt. Ook bedenkt de controller een DEADLINE voor de opdracht en plaatst deze in de TODO-kolom.

MEMBER:

Een member volgt de instructie op van de planner en de controller.

Een member begint altijd de les met een korte omschrijving van zijn/haar werkzaamheden op te schrijven in de BUSY-kolom.

Bij afronding worden de BUSY en DONE kolom bijgewerkt.

De link deel je met jou groepje en met de docent ( de docent voeg je toe als deelnemer)!

Op TO DO schrijf je alle rondes op, welke je per week maakt. Schrijf de weken en de uren erbij

Bij BUSSY met welke je bezig bent en

bij DONE welke je klaar hebt.

Aan het eind voeg je de foto`s toe van de eindresultaten van elke leerling!

 

Tekenpotlood (grafiet potlood)

Samenstelling van een potlood:

Veel klei en weinig grafiet geeft een hard potlood. (H)

Veel grafiet en weinig klei geeft een zacht potlood. (B)

Een potlood tussen hard en zacht wordt aangeduid met HB

Op de meeste potloden staat een code. De code bestaat uit een  letter en een cijfer.
H staat voor hard.
B staat voor zacht.
Het  cijfer geeft de gradatie aan. Hoe hoger het cijfer hoe harder/zachter het  potlood is.
Een HB potlood wordt het meest gebruikt. Dit potlood is niet hard of  zacht.

Tekenen met een potlood:

 

* Zorg voor een potlood met scherpe punt. Alleen zo krijg je scherpe lijnen.
* Bij gebruik van een liniaal of tekendriehoek, houdt je  het potlood haaks op het papier.
* Teken alle lijnen eerst heel dun. Fouten gum je gemakkelijk uit.
* De belangrijkste lijnen trek je nog een keer over. Je noemt dat de tekening opwerken.

 

Hard of zacht potlood:

 

Een technische tekening maak je met een hard potlood. Met een  hard potlood
teken je scherpe lijnen.

Met een zacht potlood kun je goed schetsen. Je maakt  gemakkelijk schaduwen en donkere vlekken.

Kom het oefenblad halen die bij deze opdracht hoort. (zie boekje)

Uitleg:

Oefen met verschillende tekenpotloden schaduwen. Werk van licht naar donker. Op de horizontale balk doe je dit door middel  van schuine schetslijnen.

Op de verticale balk werk je met een liniaal of geodriehoek en zet je lijnen van ver naar dicht op elkaar.

De geometrische vormen geef je schaduw en lichtval op zo`n manier dat de vormen 3-D worden. Zoek naar voorbeelden op Pinterest of internet.

 

Potloodtechnieken algemeen

Hoe houd ik mijn potlood vast?

1) Schetsen en arceren; bij het schetsen houd je het potlood  net als een pen, maar vrij ver naar achteren, vast. Door deze manier van vasthouden wordt de tekening wat losser, maar kun je toch goed “sturen”. Probeer te schetsen vanuit de pols. Je kunt voor het schetsen natuurlijk een grafietpotlood nemen, maar als je hiervoor al meteen de goede kleur gebruikt, zie je straks geen storende grafietpotloodlijnen. Maak eens wat testjes!

2) Details; bij het uitwerken van details wordt het potlood net als een pen vastgehouden, dus vrij dicht bij de punt. Probeer bij het uitwerken van je tekening zoveel mogelijk van links naar rechts te werken als je rechts bent en van rechts naar links als je links bent. Als je op je werk moet steunen, kun je een schone doek of stuk papier onder je hand leggen, om te voorkomen dat de kleuren gaan vlekken. Maak wat schetsjes.

3) Inkleuren; bij inkleuren wordt het potlood zo plat mogelijk op het papier gehouden voor egale kleurinvullingen, zonder “streek”. Op deze manier wordt er zoveel en egaal mogelijk kleur overgebracht, zonder dat er storende indrukken         ( lijnen) in het papier ontstaan. Het potlood kan zowel bovenhands als onderhands vastgehouden worden. Als je wel de “streek” of “lijn” van de potloden wilt zien bij het invullen, kun je het potlood rechter op houden. Hoe rechter op, hoe meer “lijn”. Probeer het eens uit.

           

plaatje bij tekst 1             pllaatje bij tekst twee         plaatje bij tekst drie

Mengen van kleuren 

Mengen van kleuren met kleurpotlood kan op verschillende manieren:  

 4) Arceren; dit is het plaatsen van lijnen kleurpotlood, naast elkaar. De lengte van de lijnen kan variëren. Je kunt ook nog variëren in de ruimte tussen de lijnen. Als je je potlood platter op het papier houdt krijg je bredere lijnen dan wanneer je je potlood erg rechtop houdt. Probeer dit eens uit!

5) Mengen door kruiselings arceren; in plaats van de lijnen allemaal naast elkaar te zetten, kunnen deze ook kruiselings over elkaar heen gezet worden. Dit hoeft niet perse horizontaal en verticaal te zijn. In het voorbeeld zijn drie richtingen gebruikt. Om te mengen gebruik je voor elke richting een andere kleur. Maak een aantal testjes.

6) Mengen door “veren”; hiermee wordt bedoeld het in elkaar werken van kleur door lijnen in diverse tinten, allemaal in dezelfde richting in elkaar te laten grijpen. Je krijgt hierdoor een geleidelijke kleurovergang. Probeer dit eens uit!

plaatje bij 4                              plaatje van 5                                    plaatje van 6

7) Vrij arceren; bij vrij arceren worden de lijnen in willekeurige richtingen aangebracht, ook de afstand tussen de lijnen, en de lengte van de lijnen kunnen variëren. Probeer dit eens uit.

8) Pointillisme om optisch te mengen; pointillisme is het aanbrengen van puntjes kleurpotlood. Door diverse kleuren te gebruiken, lijken deze zich te vermengen. Dat doen ze natuurlijk niet, maar dat is zoals ons oog het waarneemt. Vandaar de term “optisch” vermengen. Maak eens een proefje.

9) Glaceren; dit doe je door dunne kleurlagen over elkaar heen aan te brengen. Als de lagen dun zijn, komen de onderliggende kleuren hier nog doorheen. Zo vermengen ze zich. Het mooiste is dit als je verschillende richtingen aanhoudt per laag. Probeer maar uit!

plaatje van 7                             plaatje van 8                                  plaatje van 9

Kleurgradaties:

10) Gradaties van 1 tint; gradaties van 1 tint kun je maken door harder of zachter op je potlood te drukken bij het kleuren. Als je harder drukt geeft je potlood meer pigment af en zal de kleur dus donkerder zijn.

11) Gradaties door lichte en donkere tinten te mengen; je kunt ook gradaties van 1 tint verkrijgen door potloden in een zelfde kleurreeks met elkaar te vermengen door deze glacerend in elkaar over te laten gaan of bijvoorbeeld door “veren”, of pointillisme. Je moet wel kleuren nemen die in dezelfde toonwaarde liggen.

plaatje van 10                                                       plaatje van 11

Structuur aanbrengen:

12) Variëren van textuur; door verschillende soorten arceringen en krabbels aan te brengen kun je structuur suggereren. Door de krabbels dichter of minder dicht op elkaar te zetten, kun je ook licht – donker verschil maken.

13) Werken op papier met textuur; er zijn veel soorten papier. De structuur van het papier is van invloed op je tekening. Je ziet de structuur van het papier door de kleuren terug. Aquarelpapier is met veel verschillende structuren te verkrijgen en erg geschikt als je een tekening op een grove ondergrond wilt maken.

14) Frotteren; bij frotteren maak je gebruik van de textuur van allerlei materialen en breng je deze als het ware over op je papier. Om te frotteren leg je het papier op het materiaal, vervolgens ga je de kleurvlakken invullen. Dit kan egaal zijn maar ook door arceren. Pointillisme werkt niet bij deze techniek. Je kunt nog variaties aanbrengen door harder of zachter op je potlood te drukken. Frotteren gaat het beste op niet te dik papier

15) Blinde druklijnen; door met een hard puntig voorwerp in papier te krassen ontstaan zogenaamde druklijnen. Normaal zie je die bijna niet, maar door met een potlood een vlak met deze lijnen in te kleuren worden ze zichtbaar. In deze lijnen kan het potlood en dus pigment niet komen, en daarom blijven deze de kleur  van het papier.

16) Met de vorm mee arceren; je kunt structuur suggereren door met de vorm van het voorwerp dat je tekent mee te arceren. In het plaatje hiernaast suggereren de arceringen dat het om buisvormen gaat, takken in dit geval.

plaatje van 12                              plaatje van 13                  plaatje van 14

plaatje van 15                                       plaatje van 16

Maak alle proefjes op één A3 tekenpapier!

 

Materiaal: Aquarelpotloden: potloodtechnieken

Aquarelpotloden worden van dunne staafjes aquarelverf gemaakt en deze worden, net als gewone kleurpotloden, beschermd met een houten omhulsel.

Voor het werken met aquarelverf en aquarelpotloden worden voornamelijk ronde penselen gebruikt. Deze nemen veel vocht op en door de spitse punt kunnen zelfs met grote kwasten kleine details aangebracht worden. Om te beginnen heb je genoeg aan 3 kwasten van verschillende diktes, bijvoorbeeld een maat 2, 6 en 12.

 

Speciale technieken met Aquarelpotlood:

1)Nat op droog techniek; zet eerst de kleur met een droog potlood op, vervolgens werk je de vlakken met water uit. Je kunt eventueel nog verf weghalen ( oplichten) met een nat wattenstaafje. Probeer meerdere kleuren te mengen of te combineren. Maak meerdere proefjes waarbij je er ook een paar maakt met een duidelijke voorstelling.

2)Droog op nat techniek; maak het papier eerst nat en werk hier met een droog potlood in. Je moet er bij deze techniek wel voor zorgen dat je papier stevig genoeg is. Nat papier is kwetsbaarder dan droog papier. Maak meerdere proefjes.

3)Schraapsel van aquarelpotlood nat maken; door wat van je pastel potlood af te schrapen en dit schraapsel op vochtig papier aan te strooien, kun je mooie effecten creëren.

Maak meerdere proefjes.

4)Mengen met aquarelpotlood;

met water kun je de potloodkleur overgangen nog voorzichtig verwassen.

Verwassen met penseel; lijnen en vlakken kunnen nog vervaagd en verwassen worden met een penseel en water. Niet de hele tekening hoeft altijd met water bewerkt te worden. Maak meerdere proefjes.

5)Uitspaartechnieken; net als bij aquarelverf kun je afplakmethodes, zoals afplaktape, (witte) was, en maskeer vloeistof gebruiken om vlakken die je wit wilt laten te beschermen. Hoewel er wel witte aquarelpotloden zijn, zijn deze meestal niet 100% dekkend. Maak meerdere proefjes.

plaatje van 1                                  plaatje van 2                                        plaatje van 2

plaatje van 3                           plaatje van 4                                   4

plaatje van 4                                                  4

plaatje van 5                                         plaatje van 5

 

PLAKKAATVERF

Plakkaatverf is een dekkende verf, die mat opdroogt.

Het is een sneldrogende verf. Wanneer je start met plakkaatverf moet je de verf verdunnen met een beetje water. Als je dit niet doet is de verf te dik en zou hij na droging kunnen breken. Je moet de verf niet teveel verdunnen omdat hij tijdens het werk vanzelf dunner en strijkbaarder wordt.

Wanneer je op tekenpapier werkt dan moet dat tenminste 120grams papier zijn. Anders gaat het werk ‘bobbelen’. Plakkaatverf laat zich, als het nog nat is, heel goed mengen. De droge verf is dekkend, kleuren kunnen dus over elkaar gebruikt worden. Met plakkaatverf kun je grote vormen maken, maar je kunt er ook mee in detail werken. Voor grote oppervlaktes gebruik je grote kwasten, voor het fijne werk puntig toelopende penselen.

TIP:

– Zorg voor voldoende kwasten en schoon water, zeker met mengopdrachten

– Vóór het schilderen moet je jouw naam achterop schrijven

– Kwasten goed schoon maken, met je vingers, niet alleen onder de kraan houden. Is de kwast schoon leg de kwast weg,  NIET op de ‘haren’ wegzetten.

KLEUREN

In het midden van de kleurencirkel zie je de drie primaire kleuren: (magenta)rood, geel, (cyaan)blauw. Dit zijn de basiskleuren waarmee je kunt gaan mengen.

Let op, want er is verschil tussen de basiskleuren van licht (rood, blauw, groen) en de primaire kleuren van verf (rood, geel en blauw).

Wanneer je twee van deze primaire kleuren in gelijke hoeveelheden bij elkaar doet krijg je secundaire kleuren. Deze zie je in de tweede ring van de cirkel.

Door verder te mengen in verschillende hoeveelheden kun je zelf allerlei kleuren maken. Zolang er geen wit of zwart toegevoegd wordt blijven het zuivere kleuren. Met het toevoegen van wit of zwart kun je een kleur afzwakken of juist donkerder maken.

 

MENGEN

Om te ondervinden hoe het mengen werkt maak je onderstaande opdracht:

Wat heb je nodig: 

– Wit papier 120 gr

– Verf in de kleuren  rood/geel/blauw

– Penselen

– Potlood

– Gum

– palet om op te mengen

-Je schrijft jouw naam in grote (blok)letters over het hele blad.

Trek de letters met watervaste viltstift over.

– Zet een stip in het midden van het papier en trek  er dan 3 lijnen doorheen,  die van de ene kant van het papier naar de andere kant gaan. De lijnen lopen ook door de letters. Het papier wordt hierdoor in 6 vakken verdeeld.

– Deze 6 vakken worden ingekleurd met de kleuren van de kleurencirkel (blauw, paars, rood oranje, geel, groen) in de juiste volgorde. Maak je kwast tussendoor goed schoon.

– Elk deel (van de letter) dat in een bepaalde kleur valt wordt ingevuld met kleur die tegenover deze kleur ligt in de cirkel. ( de complementaire kleur)

Dat ziet er dan zo uit:

 

Pak eerst de benodigdheden     schrijf in blokletters je naam    trek de lijnen over

               

  Zet een stip in het midden en teken 3 lijnen kruislings door de tekening.

Verf de vlakken op volgorde van de kleurencirkel in. Begin met geel. Verf de letters in de tegenoverliggende kleuren van de cirkel in!                                             

    

ECOLINE

 

Wat is ecoline?

Ecoline is een vloeibare aquarelverf die verkrijgbaar is in allerlei kleuren. Het is een niet-watervaste inkt die voor veel doeleinden geschikt is. Omdat de inkt dun is zijn er vele technieken mogelijk om de inkt te gebruiken, zo kun je je kunstwerk/project er steeds weer anders uit te laten zien.

Welke materialen zijn er verder nodig?

Om te bepalen welke materialen je verder nodig hebt is het nodig te weten wat je er precies mee wilt doen. Hier zijn een aantal materialen die je nodig zou kunnen hebben:

  • Kroontjespen: met een kroontjespen kun je fijne en scherpe lijntjes maken.
  • Kwast: dun of dik afhangende van wat je ermee wilt gaan doen.
  • Kleine bakjes van glas/plastic: om de verschillende kleuren te mengen of kleinere hoeveelheden te gebruiken.
  • Papier: het beste is om aquarelpapier te gebruiken omdat deze weinig vocht opneemt, hiermee krijg je het beste resultaat. Overige papiersoorten nemen meer vocht op en dit geeft je werkstuk ook andere resultaten.
  • Waterspray-flacon: Spray je papier voor gebruik in met water om verder absorberen te voorkomen wanneer je ecoline gebruikt.

 

De zout techniek
Gebruik hiervoor het liefste (naturel) zeezout omdat deze meer vocht absorbeert, maar keukenzout kan ook. Je gaat als volgt te werk:

TIP:

  • Neem een kleine of grote druppel ecoline met een kwast of kroontjespen en druppel deze over het papier. Je ziet dat de Ecoline zich verspreidt.
  • Strooi over de oppervlakken het zout wanneer de ecoline nog vochtig is. Je ziet dat gedeeltes van de ecoline door het zout geabsorbeerd worden.
  • Het zout geeft ook een soort reliëf op het papier.

Techniek met rietjes
Je kunt voor deze techniek elk willekeurig rietje gebruiken, maar een breder rietje zorgt er wel voor dat je wat meer controle hebt tijdens het blazen.

TIP:

  • Knip een rietje af tot ongeveer 5 centimeter lengte.
  • Gebruik de waterspray flacon op het papier wanneer je papier gebruikt dat meer water absorbeert dan aquarelpapier.
  • Breng met een kroontjespen of kwast een druppel aan op het papier.
  • Blaas met het rietje de druppel in verschillende richtingen over het papier.

Techniek met laagjes
Voor deze techniek heb je aquarelpapier nodig. Met absorberend papier werkt deze techniek niet. Deze techniek is gebaseerd op het weghalen van inkt nadat het op de tekening is aangebracht om zo kleurverschillen te krijgen.

TIP:

  • Breng met een kwast een laag ecoline aan.
  • Neem keukenpapier en laat een gedeelte van de inkt weer absorberen in het keukenpapier zodat niet alle inkt in het vel papier trekt.
  • Breng kleurnuances aan waar nodig door met dezelfde kleur nog een keer over de inkt te verven.

Kijk eens naar de volgende filmpjes om inspiratie op te doen!

Film 1: https://youtu.be/z54mdWhL0Tg

Film 2: https://youtu.be/-JYYhFq75Vk

Maak een achtergrond en gebruik de verschillende technieken.

Op een a3 papier maak je een achtergrond  met ecoline en wanneer de achtergrond droog is structuren.

Stap 1)

Kijk eerst op mijn Pinterest bord: https://nl.pinterest.com/docentcvl/wereld-van-ecoline-en-structuren/

Stap 2)

Pak een a3 papier, materialen en zoek kleuren van ecoline die je mooi vindt.

Je kunt je papier wat natter maken met water zodat de ecoline meer uitvloeit met een spuitflacon,  maar als je kwast nat is met water kun je ook prima schilderen. Probeer beide eens uit!

Gebruik de verschillende technieken met ecoline. Je kunt ermee schilderen, je kunt het laten uitlopen, blazen, spatten enz.

Wanneer je meerdere kleuren wilt gebruiken, maak dan altijd je kwast schoon voordat je met je kwast in een andere kleur gaat. Ga nu een achtergrond maken. Het hoeft niet iets voor te stellen. Gewoon doen!

Als je achtergrond droog is, dan kun je met pen en inkt of met stabilo pennen/stiften structuren over je achtergrond tekenen.
Denk bijvoorbeeld aan dieren/planten/bloemen, onderwater planten, koraal.
Werk hierbij heel geduldig en netjes!

 

Inkt

Oost- Indische inkt is vloeibaar tekenmateriaal. De inkt is zwart en bestaat uit zeer fijn roet in een oplossing. Afhankelijk van de samenstelling kan de kleur ook bruin zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de inkt is gemaakt met de inkt van een inktvis. De kleur heet dan sepia.

                  

SEPIA                                                                  OOST INDISCHE INKT

Wat heb je nodig?

oost Indische inkt            kroontjespen             Tamponneer kwast   

    

           penselen                     Spatraam                                            fineliner

                     

Maak een tekening met:

Oost Indische inkt met een penseel en water.

Teken eerst met een tekenpotlood een dier, portret of landschap naar keuze. Daarna verf je van waterig naar pure inkt. Verdun je inkt met water. Schilder eerst de vlakken waar je lichte inkt  wilt hebben en maak daarna de tekening steeds donkerder en gedetailleerder!  Kijk hieronder hoe je dit kunt doen:

DIER                                           PORTRET                                                        LANDSCHAP

                                 

TIP:

Wat je wit wilt houden laat je open, wat je heel licht wilt houden verdun je met veel water en schilder je als een vlak.

De plekken die wat schaduw nodig hebben kun je met minder verdunde inkt inschilderen. Je kunt hier verschillende tinten verdunde inkt voor gebruiken.

Nu werk je de tekening af met pure inkt. Wat is het donkerst in jouw tekening? Schilder of teken de details!

Inktstructuur met inktpennen

In inkttekeningen kun je goed arceringen toepassen. Op deze manier kun je bijvoorbeeld tonen en schaduwen maken. Je gebruikt hiervoor een kroontjespen (of fineliner).

 

 

 

      

Zowel met een fineliner als met een kroontjespen kun je arceren. Kleine lijntjes naast elkaar of door elkaar. Hoe dichter de lijntjes bij elkaar staan hoe donkerder de kleur.

Maak een tekeningetje met zowel een fineliner als met oost Indische inkt waarbij je arcering laat zien in verschillende tinten! Je mag naar inspiratie zoeken op Pinterest of internet.

Daarna kom je de oefenbladen halen:

Maak op een tekenpapier zes testjes met inkt .

Maak op een tekenpapier zes testjes met fineliner.

Stop alles in je map als het droog is!

In de volgende opdracht werk je op een a4 tekenpapier met :

-een spatraam,

– tamponneer kwast,

– tandenborstel,

– een sjabloon en

– tape

Maak eerst een aantal sjablonen, een sjabloon is een uitgeknipte vorm. Bedenk zelf één of verschillende vormen . Knip de vormen uit en plak het met stukjes tape die je bevestigd op de achterkant vast! Nu kun je experimenteren met spatten en met een tamponneerkwast om de vormen heen. Kijk eens naar de voorbeelden:

Stop alle proefjes en tekeningetjes in jouw map!     

Aan het eind van de rondes, maak je een foto`s van jouw boekje. Zet de foto`s op het trello bord.  Als groep zijn jullie verantwoordelijk voor het trello bord hoe deze qua inhoud eruit ziet. Je krijgt gemiddeld cijfer voor al jouw proefjes.

Beoordeling:

Heb jij netjes gewerkt?

Zie je duidelijk bij de proefjes met welk materiaal jij gewerkt hebt?

Heb je de verschillende materialen goed toegepast?

Proefjes en presentatie in trello: cijfer telt 2x

 

                                        

                     

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *